Het CBS publiceerde eerder deze week een excel met per gemeente het aantal huishoudens met een inkomen tot x% van het sociaal minimum.
Tot dusverre werden deze cijfers jaarlijks gepubliceerd via StatLine. Het CBS heeft besloten deze reeks te beëindigen. De cijfers waren inhoudelijk verouderd en sloten niet aan op hoe gemeenten in de praktijk vaststellen of iemand recht heeft op inkomensondersteuning. Het CBS ontwikkelde daarom een nieuwe statistiek die aansluit op de gemeentepraktijk en de actuele beschikbaarheid van data. De huidige tabellenset vormt de eerste oplevering van de nieuwe minimastatistiek. Deze bevat cijfers van 2021 t/m 2024 voor alle gemeenten.
Samenvatting nieuwe methode
Om vast te stellen of iemand onder of net boven het bestaansminimum leeft (en daarmee recht heeft op een lokale regeling van de gemeente), spelen inkomen, vermogen, en grensbedragen een rol. Uitgangspunt hierbij is de Participatiewet.
Bij recht op een lokale regeling van een gemeente vormt het netto jaarinkomen van de hoofdkostwinner en dat van de eventuele partner het uitgangspunt. Voor de grensbedragen die op dit inkomen worden toegepast in de Participatiewet, gaat het CBS uit van de netto bijstandsbedragen tot AOW-leeftijd en vanaf AOW-leeftijd, waarbij het CBS alleenstaanden en paren onderscheidt.
Bij de vermogensgrens maakt het CBS ook onderscheid tussen alleenstaanden en paren. Bij eigenwoningbezitters hanteert de Participatiewet een drempel voor de overwaarde van de woning. Niet in iedere gemeente telt het vermogen mee om in aanmerking te komen voor een lokale minimaregeling. De minimastatistiek bevat daarom het aantal rechthebbenden op basis van zowel alleen het inkomen als het inkomen én het vermogen. Laatstgenoemde variant is de standaardindeling voor minima.
Let op: dit betekent dat deze cijfers niet meer vergelijkbaar zijn met de cijfers van vóór 2021 en de cijfers op Statline. Ik zal het dossier Cijfers z.s.m. aanpassen.