Participatiewet

In dit dossier kijk ik vooral naar de onderdelen van de Participatiewet die voor armoedebeleid en schuldhulpverlening relevant zijn. Ik volg op deze pagina ook de ontwikkelingen rond de wijziging van de Participatiewet per 1 januari 2026 (onder de noemer Participatiewet in balans).

Hoofdlijnen Participatiewet

De Participatiewet, ingevoerd in 2015, heeft als doel zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking of afstand tot de arbeidsmarkt aan werk te helpen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en ondersteuning, zoals begeleiding, bijstand en re-integratietrajecten. De wet vervangt de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en delen van de Wajong. Werkgevers worden gestimuleerd om banen te creëren voor mensen met een beperking via quota en subsidies. Het uitgangspunt is dat iedereen naar vermogen participeert, waarbij werk boven een uitkering staat en maatwerk wordt geboden aan wie zelfstandig geen werk vindt.

De vroegste voorloper was de bijstandswet die in 1965 in werking trad. De Bijstandswet zorgde ervoor dat iedereen recht kreeg op een bestaansminimum, ongeacht de oorzaak van hun armoede. De overheid werd daarmee verantwoordelijk voor financiële steun aan burgers zonder voldoende inkomen. De bijstandsnormen worden afgeleid van een minimumloon dat speciaal voor de sociale zekerheid wordt vastgesteld. De bijstandsnorm voor alleenstaanden is 70% van die voor gehuwden en samenwonenden. De bijstandsnormen worden ieder jaar op 1 januari en 1 juli aangepast.

Aanvullende inkomensondersteuning

Voor het armoedebeleid vormen artikelen 35 en 36 de belangrijkste artikelen:

Art. 35. Individuele en categoriale bijzondere bijstand. Dit artikel regelt de mogelijkheid voor gemeenten om bijzondere bijstand te verlenen voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die niet uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan, zoals kosten voor medische behandelingen of duurzame gebruiksgoederen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid op de volgende onderdelen:

  1. Vaststelling van Draagkracht en Draagkrachtperiode: Gemeenten bepalen zelf hoe zij de draagkracht van een aanvrager vaststellen, inclusief welke inkomens- en vermogensbestanddelen worden meegewogen en over welke periode deze draagkracht wordt berekend.
  2. Beoordeling van Noodzakelijkheid en Bijzondere Omstandigheden: De gemeente moet beoordelen of de gemaakte kosten voortkomen uit bijzondere omstandigheden en of deze noodzakelijk zijn.
  3. Bepaling van de Hoogte en Vorm van de Bijstand: Gemeenten hebben de vrijheid om te beslissen of de bijzondere bijstand wordt verstrekt als gift of lening en om de hoogte van de bijstand vast te stellen. Hierbij kunnen zij rekening houden met de individuele situatie van de aanvrager.
  4. Definiëring van de Doelgroep: Gemeenten kunnen zelf bepalen welke inkomensgrenzen zij hanteren.

Volgens art. 35 lid 3 hoeft de gemeente alleen bij een collectieve zorgverzekering niet te beoordelen of er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Art. 36. Individuele inkomenstoeslag. Dit is een extra financiële tegemoetkoming voor mensen die langdurig een laag inkomen hebben en geen uitzicht op inkomensverbetering.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid op de volgende onderdelen:

  1. Vaststelling van de Referteperiode: Gemeenten kunnen zelf bepalen wat zij verstaan onder ‘langdurig laag inkomen’. Dit betekent dat zij de referteperiode, oftewel de periode waarin iemand een laag inkomen heeft gehad, kunnen vaststellen. Veel gemeenten hanteren hiervoor een periode van drie jaar, maar dit kan variëren.
  2. Inkomensgrens: Bijna altijd uitgedrukt in een percentage van de bijstandsnorm, bijvoorbeeld 110% of 130%.
  3. Definiëring van ‘Uitzicht op Inkomensverbetering’: Het is aan de gemeente om te bepalen in welke gevallen een persoon geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Dit biedt ruimte om te specificeren welke groepen wel of niet in aanmerking komen voor de toeslag. Zo kunnen gemeenten in beleidsregels vastleggen welke groepen niet in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen geen uitzicht hebben op inkomensverbetering.
  4. Hoogte van de Toeslag: Gemeenten hebben de vrijheid om de hoogte van de individuele inkomenstoeslag vast te stellen.
  5. Leeftijdsgrenzen: Gemeenten kunnen leeftijdscriteria vaststellen voor de toekenning van de toeslag. Zo hanteren veel gemeenten een minimumleeftijd van 21 jaar. Maar je mag niet toekennen aan personen die de AOW-leeftijd hebben bereikt.
  6. Aanvullende Voorwaarden: Gemeenten kunnen aanvullende voorwaarden stellen, zoals het vereisen dat aanvragers bepaalde inspanningen hebben verricht om hun inkomenssituatie te verbeteren, of dat zij deelnemen aan trajecten die gericht zijn op arbeidsinschakeling.

Gemeenten mogen niet de vermogensgrens aanpassen.

Schulden en schuldhulpverlening

Voor schuldhulpverlening zijn de volgende artikelen in de Participatiewet relevant:

  • In art. 13 lid 1g, art. 48 lid 2d en art. 49 is bepaald dat bijstand in principe wordt verleend om niet, en niet kan worden verstrekt om schulden af te lossen. Maar het kan wel worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht als het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
  • Art. 18a lid 13: Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, is het college bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Art. 60 zegt dat je geen schuldregeling mag treffen voor schulden die ontstaan als gevolg van overtreding informatieverplichtingen in geval van opzet of grove schuld.
  • Art. 14 lid 1a regelt dat schulden in mindering kunnen worden gebracht op het in aanmerking te nemen vermogen.

Herziening Participatiewet

De herziening van de Participatiewet verloopt via drie sporen:

  1. Korte termijn maatregelen: Een pakket van ruim 20 wetswijzigingen om de balans tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving te verbeteren.
  2. Fundamentele herziening: Het opnieuw opbouwen van de wet om beter aan te sluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voor wie ze bedoeld is.
  3. Versterken van de uitvoering: Het vergroten van de vakkundigheid van uitvoerende professionals om hen beter in staat te stellen mensen goed te ondersteunen.

Wetsvoorstel Participatiewet in Balans

De Participatiewet is per 1 januari 2026 gewijzigd via het wetsvoorstel Participatiewet in balans. Gemeenten krijgen de ruimte om de nieuwe Participatiewet in balans vanaf 1-1-2026 in stappen in te voeren. In deze paragraaf lees je over de wetsontwikkeling (van oud naar nieuw) en de belangrijkste wijzigingen (voor zover relevant voor gemeentelijk armoede- en schuldenbeleid):

Eind juni 2024 werd het Wetsvoorstel Participatiewet in Balans (spoor 1) naar de Tweede Kamer gestuurd.

Ten opzichte van de eerste contouren in 2022, de consultatie-versie (2023) en de versie waarover de Raad van State in juni 2024 adviseerde is er het een en ander veranderd. Zo is de mogelijkheid om bij AMvB aan te wijzen situaties categoriale bijzondere bijstand toe te staan, komen te vervallen.

Op p. 14 van de Memorie van Toelichting vind je een handig overzicht van de ruim 20 maatregelen. Ik heb het nog wat verder samengevat:

  • De aanvulling op de jongmeerderjarigen-norm (18-21 jaar) wordt in beginsel gelijk voor alle gemeenten. Dit betekent dat gemeenten aanvullend € 634 aan jongeren kunnen geven wanneer ze redelijkerwijs geen steun van hun ouders krijgen. Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen. Als blijkt dat het bedrag te hoog is, kan de gemeente het verlagen.
  • Introductie van een standaard giftenvrijlating van € 1200 per jaar. Niet iedere gift moet meer worden gemeld. Melding is alleen nodig, als het totaal aantal giften boven de € 1200 per jaar uitkomt. De giften die worden ontvangen, moeten worden bijgehouden door de bijstandsgerechtigde zelf.
  • Voortaan wordt er rekening gehouden met zowel het huidige vermogen als de huidige schulden. Melding (in het kader van de inlichtingenplicht) is alleen nodig wanneer toenamen in bezit leiden tot een vermogen boven de vermogensgrens en moeten dus door de bijstandsgerechtigde zelf worden bijgehouden.
  • De vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar blijft van kracht. De gemeente krijgt wel de mogelijkheid om in knellende situaties geen gebruik te maken van de vierwekenzoektermijn.
  • De gemeente krijgt de mogelijkheid om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht te verstrekken. De maximale lengte is tot en met 3 maanden terug.
  • Voorgesteld wordt de norm voor de niet-kostendelende bijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder met een niet-rechthebbende partner vast te stellen op het niveau van de alleenstaandennormen (ongeveer 70% van de gehuwdennorm).
  • Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonder ALO-kop. Een bijstandsgerechtigde met een niet-rechthebbende partner (bijvoorbeeld omdat deze in het buitenland of in de gevangenis verblijft) en met in Nederland wonende kinderen, heeft geen recht op extra kindgebonden budget. Dit komt door verschillende partnerbegrippen in verschillende wetten. In jurisprudentie is bepaald dat de bijstandsuitkering in deze situaties wordt verhoogd. Dit wordt nu ook vastgelegd in de wet.
  • Voorgesteld wordt om de aanvraagdatum van de eerst aangevraagde uitkering (bijstand, Bbz, IOA, IOAZ) bij een gemeente als meldingsdatum voor een bijstandsaanvraag te hanteren.
  • De verschillende vrijlatingsregelingen worden hetzelfde gemaakt in één vrijlating. De vrijlating bedraagt 15% voor de periode van 1 jaar. De gemeente kan besluiten de vrijlating te verlengen als men niet meer uren kan werken wegens individuele omstandigheden. De structurele vrijlating voor mensen met een medische uren beperking blijft behouden.
  • De aanvraagprocedure wordt vereenvoudigd: Het wordt mogelijk om bijstand toe te kennen op basis van DigiD. Hierdoor kan de hele aanvraag digitaal plaatsvinden. Identificatie mag voortaan ook op basis van een rijbewijs. Bijstandsgerechtigden die uit de bijstand zijn gestroomd en binnen 12 maanden weer instromen kunnen gebruik maken van een verkorte aanvraagprocedure, waarbij gegevens van eerdere aanvragen gebruikt mogen worden.
  • Door een uniforme wijze van het berekenen van het netto-inkomen voor te schrijven, wordt (automatisch) verrekenen op basis van de gegevens uit de polisadministratie mogelijk gemaakt. Ook wordt het transactiestelsel verduidelijkt. Het loonstrookje hoeft niet meer in alle gevallen maandelijks te worden aangeleverd. Dit vermindert de lastendruk en kan het proces in veel gevallen bespoedigen.
  • Er komt regelgeving waarin de standaardwijze voor het verrekenen van de eindejaarsuitkering, vakantiebijslag en keuzebudget wordt opgenomen. Dit maakt het verrekenproces eenduidiger. Ook wordt voorkomen dat bijstandsgerechtigden met inkomen naast de bijstand door het verrekenen van dit inkomen op maandbasis onder de bijstandsnorm terechtkomen.
  • Met het bufferbudget wordt een nieuw maatwerkinstrument geïntroduceerd om de financiële problemen – die ontstaan door het verreken van inkomsten – op te vangen en het bijstandsniveau te kunnen garanderen. Het bufferbudget bedraagt maximaal € 1000 per jaar en wordt toegekend en beheerd door de gemeenten. Het wordt toegekend als andere instrumenten zijn uitgeput of niet kunnen worden toegepast.
  • De bijstandsgerechtigde heeft een generieke participatieplicht. Dit houdt in dat iemand naar vermogen algemeen geaccepteerd arbeid moet verkrijgen, accepteren, behouden en gebruik te maken van een door de gemeente aangeboden (re-integratie) voorziening. Standaard specifieke verplichtingen, zoals het bereid moeten zijn om drie uur te reizen voor werk, komen te vervallen.
  • Bijstandsgerechtigden die niet (direct) kunnen werken, krijgen meer ruimte om hun maatschappelijke participatie zelf vorm te geven. Daarbij kunnen zij aanspraak maken op ondersteuning, conform het gemeentelijk beleid.
  • Er komt een maatregelenbesluit waarin gemeenten meer ruimte krijgen om bij het opleggen van maatregelen rekening te houden met de individuele omstandigheden. De standaard-verlagingen die op dit moment in de wet zijn opgenomen komen te vervallen.
  • Er wordt in de wet opgenomen dat mantelzorg geen op loon te waarderen arbeid is en dat – als men samenwoont vanwege de intensieve mantelzorg die wordt verleend – dit niet als gemeenschappelijk huishouden kan worden gezien.

De Tweede Kamer heeft op 22 april 2025 het wetsvoorstel Participatiewet in balans aangenomen. Daarbij zijn 8 amendementen aangenomen waaronder deze:

  • Amendement lid Ceder c.s. over dat bijdragen van een voedselbank niet van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering.
  • Amendement Lahlah en Van Kent over de mogelijkheid om de individuele inkomenstoeslag ambtshalve of op aanvraag te verlenen (ambtshalve verstrekking mag vanaf 1-1-2027).

Op 30 september 2025 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel met algemene stemmen aangenomen. Daarbij zijn ook 3 moties aangenomen over o.a. de interventie Bouwdepot voor jongeren en giften in natura uitzonderen van de inlichtingenplicht.

Lees Gemeentenieuws van SZW, speciale editie over Participatiewet in balans van 14 oktober 2025 met de volgende onderwerpen:

  1. Mededeling instemming EK
  2. Inwerkingtreding van de wet
  3. Samen aan de slag
  4. Hoogte van de aanvullende jongerennorm juli – december 2025
  5. Overheveling van de aanvullende jongerennorm
  6. Maatwerk kostendelersnorm artikel 18 Participatiewet
  7. Giftenvrijlating en voedselbanken
  8. Implementatiemiddelen per gemeente

Download de geactualiseerde handreiking Participatiewet in balans van Stimulansz (17 november 2025)

Gemeenten mogen niet afwijken van giftengrens € 1.200 (12 februari 2026).

Bekijk de wet, memorie van toelichting, amendementen en andere stukken op de eerstekamer.nl.